Wat een kind weet van doodgaan…

Elke ontwikkelingsfase die je kind doorloopt, kent zijn eigen begrip van ‘de dood’. Bij elke ontwikkelingsfase hoort dan ook een eigen uitleg en kent de verwerking van je kind een bepaalde nadruk/ richting. Dat is wel zo prettig om te weten, als je in de verdrietige situatie terecht komt dat je een kind moet vertellen van een dierbaar persoon (kan ook gelden voor een geliefd huisdier!).

Hierbij een klein overzicht per leeftijd:

0-2 jaar: de peuter weet niet wat ‘dood’ is en zal enkel reageren op zijn ouders/ verzorgers
2-6 jaar: de kleuter verwerkt de dood zoals hij ‘magisch’ denkt> alles komt weer goed. (in filmpjes worden prinsessen en helden ook weer beter)
6-12 jaar: het schoolkind krijgt steeds meer begrip dat de dood onomkeerbaar is en dat de overleden persoon niet terugkomt. Daarnaast komt het regelmatig voor dat er angsten voor de dood worden ontwikkeld (gaat meestal vanzelf weer over).
12-18 jaar: de adolescent is bezig met het vormen van zijn eigen identiteit door middel van afzetten tegen zijn/ haar bekende omgeving en het bij leeftijdsgenoten/ bepaalde groepen (niet willen opvallen) willen horen en dient tegelijkertijd rouwen, dat is een zware opgave.

Wat betekent dat uitgebreid?

  • Baby’s hebben geen besef van de dood maar kunnen wel de angst en spanning van hun ouders aanvoelen en daarop reageren met onrust.
  • Peuters en kleuters (2-6) begrijpen het definitieve karakter van de dood nog niet. Ze verbinden de dood aan iets tijdelijks zoals slapen. Je kunt niet meer zien en bewegen maar je wordt na een tijdje gewoon weer wakker. Daarom zijn ze ook niet bang voor de dood. Als je dood bent, leef je gewoon even ergens anders en daarna kom je weer terug. Gebruik daarom bij peuters en kleuters niet het woord ‘slapen’ als het over de dood gaat! Dit verklaart overigens ook waarom kinderen na een overlijdensbericht heel simpel kunnen vragen: ‘mag ik nu weer buitenspelen?’ Een kind beseft het nog niet; betrek het kind erbij, leg alles uit, maar dwing het niet hetzelfde te voelen als de volwassenen.
  • Kinderen van 7-12 jaar beseffen dat de dood onomkeerbaar is. Ze denken bij ‘de hemel’ aan een andere wereld en zien ‘God’ als een persoon. Het inzicht ontstaat dat ook jonge mensen dood kunnen gaan. Op deze leeftijd kunnen gevoelens van angst en verwarring over de dood ontstaan, die zij niet altijd (vanzelf) uiten. Het besef komt dat ze alleen moeten gaan. Voor veel ouders is dit een uiterst moeilijk punt om te bespreken.
  • Pubers van 13-18 jaar begrijpen op een volwassen manier wat er aan de hand is. Ze kunnen zich intensief met zingevingsvragen bezighouden. Omdat ze zich in de puberteit ook aan het los maken zijn van hun ouders en op zoek zijn naar zichzelf, is de confrontatie met de dood extra moeilijk.

NB: Het komt nogal eens voor dat een kind op latere leeftijd weer met dezelfde vragen komt, of opnieuw lijkt te 
gaan rouwen. Bijvoorbeeld de vader van een kind van 4 overlijdt en als het kind 7 is, begint hij opnieuw 
vragen te stellen en toont hij wederom onrustig en afwijkend gedrag. Dit heeft vaak te maken met het 
werkelijk gaan begrijpen wat dood-zijn is en daardoor als het ware opnieuw te kunnen gaan rouwen.

Wat kun je doen voor een rouwend kind?
Veel ouders denken dat ze het moeten vertellen of dat ze het juist niet moeten vertellen. Het allerbelangrijkste voor een kind is dat het weet dat hij of zij erover kán praten. Dat u er altijd voor hem of haar zult zijn en dat het altijd bij u terecht kan. Het kan helpen om vanuit het perspectief van uw kind te kijken: heeft uw kind de mogelijkheid om te praten? Kan uw kind erover praten als het dat wil? Of voelt uw kind misschien aan dat u er zelf liever niet over praat? Het is trouwens goed te weten dat praten met kinderen meestal ‘in stukjes’ gaat. Kinderen voeren zelden uitgebreide gesprekken. De meeste kinderen hebben korte gesprekjes waarin ze maar één vraag stellen of één opmerking maken. Dat doen ze bij voorkeur op een moment dat u er niet op bedacht bent. Als zij het gevoel hebben dat ze zelf de regie hebben.

LET OP: Is er geen gelegenheid om te praten en vragen te stellen dan kunnen kinderen gaan fantaseren. Hun fantasie kan voor angsten zorgen die ze niet kunnen uiten. Hierdoor kunnen ze zich heel eenzaam voelen! En dat is natuurlijk niet de bedoeling.

En wat als het kind zelf terminaal ziek is?
De meeste ernstig zieke kinderen beseffen heel goed dat ze niet meer beter worden. Zelfs aan heel jonge kinderen is dat vaak al te merken. Op een rustig moment de vraag stellen ‘wat denk je dat er gaat gebeuren?’ of ‘zijn er dingen waar je je druk over maakt?’ kan een opening bieden voor een gesprek. Zodra een gesprek op gang komt, is het goed om te vragen ‘wat zou je willen weten?’. Hiermee voorkomt u dat u te veel vertelt. Soms maakt een kind alleen maar even een losse opmerking om te testen of hij er met zijn ouders over kan praten. Bijvoorbeeld ‘van kanker kun je doodgaan hé?’.

Heb je behoefte aan meer informatie, een (vrijblijvend & kosteloos) gesprek of wil je meer weten over Xpressief Coachen? Mail dan naar info@xpressiefcoachen.nl of bel/ bericht ons via 085 – 303 3674.

 

Bronvermelding: artikel 1, artikel 2, artikel 3
Afbeelding: Eve Tharlet